">
27 juni, 2025
Gevangen in verlangen
Als jong kind had ik een diep verlangen naar welkom. Naar een heldere, onvoorwaardelijke “ja” op wie ik was. Naar rust, nabijheid, bevestiging: je mag er zijn, precies zoals je bent.
Maar tegelijk leefde daar ook iets anders in mij. Angst. De angst dat dat welkom niet echt zou zijn. Dat het elk moment weer kon verdwijnen. De angst om afgewezen te worden, om te veel te zijn, of juist niet genoeg. En zo ontstond een patroon dat ik pas veel later begon te begrijpen.
Ik verlangde naar verbinding, maar durfde me niet echt te laten zien. Ik verlangde naar erkenning, maar geloofde diep vanbinnen dat ik er eerst iets voor moest doen. Presteren, zorgen, aanpassen, sterk zijn. Mijn bewijsdrang werd een manier om mijn plek te verdienen. “Kijk hoe goed ik ben,” zei iets in mij, “houd daarom van mij.”
Maar ik deed nooit helemaal mee. Ik hield iets achter. Want wie niet voluit meedoet, kan ook niet voluit verliezen. En zo bleef ik gevangen: verlangend naar welkom, maar bang om het echt te ontvangen.
Ik saboteerde mezelf. Zo subtiel dat het bijna onzichtbaar was — ook voor mijzelf.
En zelfs als ik welkom wél ervoer — als mensen me zagen, me raakten, me oprecht toelieten — was er altijd iets in mij dat méér wilde. Alsof het nooit genoeg was. Alsof ik steeds opnieuw moest bewijzen dat ik erbij hoorde. Dat ik het waard was.
Tot ik begon te zien: niet alleen mijn angst hield me gevangen, maar ook het houvast aan dat diepe verlangen. Hoe mooi en menselijk het ook is — het werd een kooi. Want zolang ik geloofde dat ik dát nodig had om vrij te zijn, bleef ik afhankelijk van iets buiten mij. En bleef ik wachten, zoeken, hunkeren.
Langzaam begon ik iets anders te oefenen. Niet om mijn verlangen te veroordelen — het is een levend en dierbaar deel van mij. Maar om het zachter vast te houden. Niet langer als iets wat opgelost moet worden, maar als iets wat gevoeld mag worden. Wat gehoord wil worden.
En ook: wat ik soms mag loslaten. Niet omdat ik het opgeef, maar omdat ik de ruimte wil voelen die eronder ligt.
Verlangen loslaten is geen afwijzen van wat ik nodig had als kind. Het is een volwassen beweging. Het is mezelf toestaan om niet meer afhankelijk te zijn van die oude droom. Het is beseffen dat ik die “ja” waar ik altijd naar zocht, nu zelf kan geven. Niet als trucje, niet als bypass — maar als diep doorleefde keuze.
Ik leer mezelf steeds vaker zacht welkom te heten. Niet omdat ik perfect ben. Niet omdat ik alles onder controle heb. Maar gewoon, omdat ik besta. Omdat ik adem. Omdat ik het waard ben, ook zonder bewijs.
Soms voel ik het ineens helder. Dat ik niets hoef te verdienen. Dat ik het welkom dat ik zocht, kan vinden in mijn eigen ogen. In de manier waarop ik tegen mezelf praat. In het stoppen met vechten, zoeken, presteren.
En dan opent zich iets. Geen groots moment, maar wel echt. Dan is er even rust. Dan ben ik vrij.
Niet van verlangen.
Maar vrij om niet meer gevangen te zijn.