Autonomie. Het is zo’n woord waar bijna niemand tegen is. Vraag wat het betekent en je krijgt antwoorden die kloppen… maar nergens landen.
“Vanuit je eigen plek keuzes maken.”
“Luisteren naar je gevoel.”
“Je pad volgen.”
Containerbegrippen. Woorden waar alles in past.
En juist daardoor ook: woorden waar je in kunt verdwijnen.
Is dat erg? Nee. Ze hebben een functie. Ze geven richting aan iets wat niet altijd meteen concreet is.
Maar ze hebben ook een andere kant.
Ze kunnen een blokkade worden.
Want achter containerbegrippen kun je je verschuilen.
Niet bewust misschien, maar wel effectief.
“Ik kies voor mezelf.”
“Ik blijf bij mijn gevoel.”
“Ik doe dit vanuit mijn eigen plek.”
Het klinkt stevig. Kloppend. Bijna onaantastbaar.
Maar wat wordt er niet gezegd?
Dat die keuze iets kost.
Dat iemand anders geraakt wordt.
Dat een relatie verandert. Of onder druk komt te staan.
Autonomie heeft een consequentie.
En die consequentie verdwijnt vaak uit beeld zodra we in containerbegrippen gaan spreken.
Dan lijkt het alsof het alleen over jou gaat.
Over jouw proces. Jouw groei. Jouw pad.
Maar dat is maar de helft.
De andere helft is dat jouw beweging impact heeft.
Dat als jij iets verandert, de dynamiek mee verandert.
En dat dat niet altijd comfortabel is. Voor jou niet. Voor de ander niet.
En precies daar wordt een containerbegrip een blokkade.
Niet omdat het woord fout is.
Maar omdat het gebruikt wordt om iets niet onder ogen te hoeven zien.
De echte vraag is dan ook niet: wat bedoel je met autonomie?
De echte vraag is: welk containerbegrip gebruik jij om niet te hoeven voelen wat het je kost?
Waar maak jij het mooier dan het is?
Waar maak jij het ronder, zachter, veiliger?
En wat gebeurt er als je het woord weglaat?
Als je niet zegt: “Ik kies voor mezelf”,
maar: “Ik kies hiervoor, en ik weet dat dit iets tussen ons verandert.”
Als je niet zegt: “Ik blijf bij mijn gevoel”,
maar: “Ik doe dit, en ik zie dat jij daar last van hebt.”
Daar verschuift iets.
Dan wordt autonomie geen verhaal meer.
Maar een positie.
Een positie waarin je niet alleen kiest,
maar ook draagt wat die keuze betekent.
Zonder container.
Zonder omweg.
En juist daar stopt de blokkade.
Het was december. Het jaar was bijna rond en ik voelde het knagen: mijn werk in coaching en mentorschap dreef te veel op toevalligheden en meevallers. Alsof het me steeds nét gegund werd. Ik noemde het geen onderneming. Dat woord durfde ik er niet eens op te noemen.
Tot het boek Fearless ondernemen – met lef en littekens van Monique Lavec in de brievenbus lag. Met op de achterkant de zin, in grote letters: Your mess is your message. En het is tijd dat de wereld hem hoort.
Die zin raakte me. Ik kreeg energie. En tegelijk werd ik bang. Want ik wist: dit is waar, ik kan me niet langer ontkennen.
Niet lang daarna viel ik. Letterlijk. Gekneusde ribben, een gekneusde hand, pijn bij elke beweging. Mijn lijf dwong me tot stilstand. Ik had geen keuze. En juist in deze stilstand kon ik niet meer wegkijken.
Wat ik zag, was confronterend maar helder:
ik leefde op mijn eigen krediet.
Ik gaf meer dan ik terugkreeg.
Ik zette mijn ervaring in, maar hield mezelf klein.
Ik wist wat ik kon, maar durfde het niet volledig te laten zien.
Dit moment werd een grens. Hier stop ik.
Ik gooi het helemaal om.
Ik keer terug naar mijn meesterschap in systemisch werken en denken.
Ik stap over de angst heen en investeerde in een coaching traject, Fearless ondernemen, om mijn onderneming echt op te bouwen.
Ik ga me weer zichtbaar zijn, ook al is dat heel spannend.
Ik ben mijn eigen krediet aan het aflossen. En ik zet het om in winst. Niet alleen financieel, maar in stevigheid, richting en rust.
En precies dát geef ik door aan vrouwen.
Zodat jij niet langer hoeft te leven op je eigen krediet.
Maar leren investeren in je eigen kracht.
Aflossen wat leeg trekt.
En winst maken door in actie te komen.
Nu jij, welke actie ga jij nemen?
Als jong kind had ik een diep verlangen naar welkom.
Naar een heldere, onvoorwaardelijke ja op wie ik was.
Naar rust, nabijheid, bevestiging: je mag er zijn, precies zoals je bent.
Maar tegelijk leefde daar ook iets anders in mij. Angst.
De angst dat dat welkom niet echt zou zijn. Dat het elk moment kon verdwijnen. De angst om afgewezen te worden, om te veel te zijn, of juist niet genoeg.
En dus ontstond er een patroon dat ik pas veel later ben gaan begrijpen: ik verlangde naar verbinding, maar durfde me niet echt te laten zien. Ik verlangde naar erkenning, maar geloofde dat ik er iets voor moest doen. Presteren, zorgen, aanpassen, sterk zijn, een bewijsdrang die fluisterde:
kijk hoe goed ik ben… houd daarom van mij.
Toch deed ik nooit helemaal mee.
Ik hield iets achter, zodat ik niet alles kon verliezen.
En zo bleef ik gevangen: verlangend naar welkom,
maar bang om het echt te ontvangen.
Zelfs wanneer welkom wél dichtbij kwam,
wanneer iemand me zag, me raakte, me toeliet, wilde iets in mij altijd méér. Alsof het nooit genoeg kon zijn. Alsof ik steeds opnieuw moest bewijzen dat ik erbij hoorde.
Tot ik begon te zien dat niet alleen mijn angst me klein hield,
maar ook mijn houvast aan dat diepe verlangen.
Hoe mooi en menselijk het ook is, het werd een kooi.
Want zolang ik dacht dat ik dát nodig had om vrij te zijn,
bleef ik zoeken, wachten, hunkeren.
Langzaam ben ik iets anders gaan oefenen: niet verdwijnen in het verlangen, maar het zacht vasthouden. Niet als iets wat opgelost moet worden, maar als iets wat gehoord wil worden. En soms ook losgelaten,
niet uit opgave, maar uit ruimte.
En in dat oefenen begon ik iets te herkennen.
Een kleur in mij, die al die tijd al bestond:
De kleur van mijn heelheid
is mooi en krachtig,
stevig en zacht.
Een storm die me meeneemt
en een bries die me troost.
Pijn voelen zonder te verdwijnen,
vertrekken en weer thuiskomen.
Een afwijzing én een welkom.
Een verlangen dat blijft.
Verlangen loslaten betekent niet dat ik verraad wat ik als kind nodig had. Het betekent dat ik volwassen word in mijn eigen binnenwereld.
Dat ik ontdek dat de ja waar ik altijd naar zocht, nu door mij gegeven kan worden. Niet als trucje, maar als een doorleefde keuze.
Ik oefen mezelf steeds vaker zacht welkom te heten.
Niet omdat ik perfect ben.
Niet omdat ik iets verdien.
Maar omdat ik besta.
Omdat ik adem.
Omdat ik het waard ben, zonder bewijs.
En soms voel ik het ineens helder:
dat ik niets meer hoef te verdienen.
Dat het welkom dat ik zocht,
al in mijn eigen ogen ligt.
In de manier waarop ik tegen mezelf praat.
In het stoppen met vechten, zoeken, presteren.
Dan opent zich iets.
Klein, echt en rustig.
Dan ben ik vrij.
En herken ik mijn kleur van heelheid.
Daar zat ik dan.
De eerste les bij Phoenix Opleidingen. In het oude gebouwtje naast de kerk, aan de Lange Nieuwstraat in Utrecht. Een plek met historie, waar muren verhalen dragen en waar elke nieuwe groep opnieuw wordt uitgenodigd om zichtbaar te worden.
Spannend, want bij binnenkomst stond je meteen ín de groepsruimte, en dus in de groep. Geen gang, geen kapstokmoment, geen tijd om even te landen of te scannen. Er was alleen de ruimte, de mensen en ik.
Ik koos een stoel van waaruit ik de hele groep kon zien en maar één persoon naast me had. Het gaf me de gelegenheid om rustig te kijken, te voelen en te ervaren. Om mijn eigen systeem de tijd te geven zich te organiseren. Zoals vaker keek ik niet naar wie me aantrok, maar naar wie me afstootte. En daar zat hij. Aan de overkant. Maurice.
Alles in mij trok samen: zijn energie, zijn directheid, zijn hardheid, soms zelfs zijn onzorgvuldigheid. Zijn aanwezigheid riep weerstand op tot in mijn botten. Ik voelde weerzin, irritatie en een oud soort waakzaamheid. Wat ik toen nog niet wist: ik keek niet alleen naar hem, maar ook naar iets in mezelf.
Vier jaar later zit hij naast me.
Niet tegenover me.
Niet op afstand.
Maar naast me — en begeleiden we samen een opstellingsavond.
De tussenruimte die ons vasthield
Mijn systeem herkende iets in zijn gedrag. Oude ervaringen, oude dynamieken, oude stemmen die fluisterden: oppassen, afstand houden, niet openen. En ook hij kon mij niet ontmoeten. We bleven allebei actief in die onzichtbare tussenruimte, gevangen in patronen die niet van nu waren. We projecteerden wat we niet konden dragen op de ander: verlangen, boosheid, verdriet, gemis. Niet omdat de ander het opriep, maar omdat we het zelf niet konden vasthouden. Juist dát zichtbaar maken, in de opleiding, in de processen, in de confrontaties en de stiltes, leverde iets op dat ik nooit had kunnen bedenken.
De mannen waar ik van wegloop
In mijn werk kan ik inmiddels stevig werken met haat, woede en scherpe emoties bij vrouwen. Daar blijf ik staan. Daar ken ik de onderlaag.
Maar bij mannen… daar ging ik weg.
Ik kon niet goed zakken in hun boosheid, hun verlangen, hun gemis.
Alsof daar nog een deur zat die voor mij gesloten was.
En Maurice stond precies op die drempel.
Niet als therapeut of deelnemer, maar als spiegel.
Van tegenover naar naast elkaar
Na vier jaar om elkaar heen bewegen, onderzoeken, botsen, ontwijken, aankijken en weer wegkijken… is het nu zover. Samen begeleiden we een opstellingsavond en dag met relatie opstellingen
Niet ondanks onze geschiedenis, maar dankzij.
Want in de ruimte waar eerst weerstand zat, is nu helderheid ontstaan.
Waar afstoting zat, is nu begrip.
Waar projectie zat, is nu ontmoeting.
En misschien is dat wel precies waar opstellingen over gaan:
zichtbaar maken wat in de schaduw leeft, zodat het kan bewegen.
Iedere vrouw heeft een super power. Soms zichtbaar in de buitenwereld, in wat ze neerzet, hoe ze voor anderen zorgt of in de keuzes die ze maakt. Soms nog verborgen in een verlangen.
In mijn werk ontmoet ik vrouwen met vragen als:
“Mag ik écht mezelf zijn?”
“Hoe combineer ik zorgen voor anderen met trouw blijven aan mezelf?”
“Wat doe ik met die stem die zegt dat ik niet goed genoeg ben?”
Wat ik steeds opnieuw zie: achter onzekerheid, twijfel, angst en verlangen schuilt een enorme bron van veerkracht, liefde en wijsheid. Zodra een vrouw zichzelf toestemming geeft om die bron aan te boren, gebeurt er iets bijzonders. Ze gaat stralen. Ze neemt haar plek in. Ze ontdekt dat kwetsbaarheid geen zwakte is, maar juist een ingang naar haar kracht.
Super power in het dagelijks leven:
Een super power hoeft niets groots of heroïsch te zijn. Het kan zitten in:
zacht blijven in een harde wereld,
trouw zijn aan je gevoel,
grenzen stellen waar dat eerder niet lukte,
of simpelweg elke dag weer opstaan en doorgaan.
Mijn kracht
Wat mij drijft, is vrouwen een welkom geven. Om gezien te worden en niet bekeken. Om écht een welkom te ervaren. Om te voelen dat kracht en zachtheid samen kunnen gaan. Om hun eigen super power te herkennen, en die ook te leven.
En juist nu – in een tijd waarin zelfs een politicus voorstelt om pepperspray toe te staan, wil ik benadrukken: kracht zit niet in een busje pepperspray. Natuurlijk is veiligheid belangrijk, maar onze échte kracht ligt niet in wapens. Onze kracht ligt in wie we zijn. In de moed om te blijven staan te midden van vrouwenhaat, intimidatie en femicide. In de keuze om ons niet kleiner te laten maken, maar onze plek in te nemen.
Want elke vrouw die haar kracht leeft, maakt de wereld veiliger, liefdevoller en menselijker.
Dus aan jou de vraag: wat is jouw super power?
Zo eens in de zoveel tijd overvalt het me: de drang om op te ruimen. Niet omdat ik zo dol ben op Marie Kondo-taferelen, maar omdat mijn hoofd vol zit. En als mijn hoofd vol zit, moet mijn huis leger. Dus dwing ik mezelf: weg met spullen die ik al jaren met me meesleep. Of in elk geval… een poging tot.
Deze week stuitte ik op een klein glazen potje. Niet groter dan een koffiekopje, maar gevuld met betekenis. Er zaten veertjes in. Licht, fragiel, en bijna vergeten. Ik kreeg ze op de laatste dag van de opleiding Ambacht van het hart, van mijn studiemaatje. Een afscheidscadeautje. Of beter gezegd: een herinnering in pluisvorm.
Ik stopte ze destijds in het potje alsof ik niet alleen de veertjes, maar ook de lieve woorden erbij wilde bewaren. Alsof ik hoopte dat hun betekenis niet zou vervliegen als ik ze maar goed afsluit.
En nu ik het potje weer in mijn handen had, hoorde ik die woorden opnieuw:
“Ze kan zichzelf klein maken om zich aan te passen. Maar als ze groter wordt, past het niet meer. Lukt het haar toch om zich weer kleiner te maken, dan valt ze in een zee van haar eigen tranen.”
Ik voelde hoe raak het nog steeds is.
“Er was een tijd dat ik mijzelf kleiner maakte om in een ruimte te passen die eigenlijk niet voor mij bedoeld was. En met mij werd ook mijn veerkracht kleiner – alsof het anders te veel, te groot, te luid zou zijn.”
Tot ik viel. In stilte. In mezelf. In eenzaamheid die zo vertrouwd werd dat ik vergat dat er ook iets anders bestond. En ik niet met woorden kon uitreiken.
Toen heb ik een veer getekend. Geen woorden meer. Een vorm. Een uitreiking zonder uitleg. Die veer werd mijn muze. Mijn symbool. Ze staat nu op mijn huid, in mijn logo, op mijn pad.
Die veer herinnert me eraan dat veerkracht niet altijd groots begint. Soms is het een pluisje. Een idee. Een verlangen dat je bijna niet durft te voelen. Maar ze is er. Altijd al geweest.
Ik dacht altijd dat mijn veerkracht klein was. Breekbaar. Iets om voorzichtig mee te zijn, om te beschermen tegen de buitenwereld.
Maar inmiddels weet ik: mijn veerkracht wás niet klein. Ik héb haar klein gemaakt. Ingepakt.
Want dat paste beter. Bij wat anderen aankonden. Bij wat ik dacht dat de wereld van mij vroeg.
Die glazen bol – dat potje vol veertjes – werd een soort vitrine. Alsof ik dacht: als ik haar klein hou, blijft ze veilig.
Maar veerkracht wil niet opgesloten. Ze wil ademen. Bewegen. Ruimte innemen.
En nu? Nu kijk ik naar dat potje en voel ik dankbaarheid. Voor de veertjes. Voor de woorden. Voor mijn studiemaatje. En voor het besef dat veerkracht niet verdwijnt als je het loslaat. Integendeel. Soms moet je juist opruimen om weer ruimte te maken voor wie je geworden bent.
Als jong kind had ik een diep verlangen naar welkom. Naar een heldere, onvoorwaardelijke “ja” op wie ik was. Naar rust, nabijheid, bevestiging: je mag er zijn, precies zoals je bent.
Maar tegelijk leefde daar ook iets anders in mij. Angst. De angst dat dat welkom niet echt zou zijn. Dat het elk moment weer kon verdwijnen. De angst om afgewezen te worden, om te veel te zijn, of juist niet genoeg. En zo ontstond een patroon dat ik pas veel later begon te begrijpen.
Ik verlangde naar verbinding, maar durfde me niet echt te laten zien. Ik verlangde naar erkenning, maar geloofde diep vanbinnen dat ik er eerst iets voor moest doen. Presteren, zorgen, aanpassen, sterk zijn. Mijn bewijsdrang werd een manier om mijn plek te verdienen. “Kijk hoe goed ik ben,” zei iets in mij, “houd daarom van mij.”
Maar ik deed nooit helemaal mee. Ik hield iets achter. Want wie niet voluit meedoet, kan ook niet voluit verliezen. En zo bleef ik gevangen: verlangend naar welkom, maar bang om het echt te ontvangen.
Ik saboteerde mezelf. Zo subtiel dat het bijna onzichtbaar was — ook voor mijzelf.
En zelfs als ik welkom wél ervoer — als mensen me zagen, me raakten, me oprecht toelieten — was er altijd iets in mij dat méér wilde. Alsof het nooit genoeg was. Alsof ik steeds opnieuw moest bewijzen dat ik erbij hoorde. Dat ik het waard was.
Tot ik begon te zien: niet alleen mijn angst hield me gevangen, maar ook het houvast aan dat diepe verlangen. Hoe mooi en menselijk het ook is — het werd een kooi. Want zolang ik geloofde dat ik dát nodig had om vrij te zijn, bleef ik afhankelijk van iets buiten mij. En bleef ik wachten, zoeken, hunkeren.
Langzaam begon ik iets anders te oefenen. Niet om mijn verlangen te veroordelen — het is een levend en dierbaar deel van mij. Maar om het zachter vast te houden. Niet langer als iets wat opgelost moet worden, maar als iets wat gevoeld mag worden. Wat gehoord wil worden.
En ook: wat ik soms mag loslaten. Niet omdat ik het opgeef, maar omdat ik de ruimte wil voelen die eronder ligt.
Verlangen loslaten is geen afwijzen van wat ik nodig had als kind. Het is een volwassen beweging. Het is mezelf toestaan om niet meer afhankelijk te zijn van die oude droom. Het is beseffen dat ik die “ja” waar ik altijd naar zocht, nu zelf kan geven. Niet als trucje, niet als bypass — maar als diep doorleefde keuze.
Ik leer mezelf steeds vaker zacht welkom te heten. Niet omdat ik perfect ben. Niet omdat ik alles onder controle heb. Maar gewoon, omdat ik besta. Omdat ik adem. Omdat ik het waard ben, ook zonder bewijs.
Soms voel ik het ineens helder. Dat ik niets hoef te verdienen. Dat ik het welkom dat ik zocht, kan vinden in mijn eigen ogen. In de manier waarop ik tegen mezelf praat. In het stoppen met vechten, zoeken, presteren.
En dan opent zich iets. Geen groots moment, maar wel echt. Dan is er even rust. Dan ben ik vrij.
Niet van verlangen.
Maar vrij om niet meer gevangen te zijn.
– en er ruimte komt voor heling
Daar stond ik dan, voor de deur van de praktijk.
Lekker op tijd, zoals altijd. Even landen, de ruimte voorbereiden. Stoelen klaarzetten, kaarsen aan. Ademhalen. Stil worden.
Voor ik mijn telefoon uitzet, lees ik nog even mijn berichten. Twee afmeldingen.
En hoewel ik het begrijp — mensen zijn druk, ziek, oververmoeid — voel ik het toch.
Een steek. Alsof iets in mij zegt: Zie je wel, het ligt aan jou.
Mijn moederwond bloedt even.
Ik adem door. Zet geen zes, maar vier stoelen neer.
Ik mediteer, pak mijn drum, stem af.
En ik voel al: het komt goed vanavond. Misschien komt het wel precies zoals het moet.
En dat klopt. Want die avond ontvouwt zich iets bijzonders.
Drie vrouwen die elk op hun eigen manier hun plek innemen.
Vrouwen die durven zakken in het niet-weten, in wat pijn doet.
Er wordt gevoeld, geschreeuwd, gedanst, gerust.
Er wordt oud zeer aangeraakt — én zachtjes losgelaten.
Wat in eerste instantie voelde als een afwijzing, bleek een ingang.
Juist doordat iets ouds in mij geraakt werd, kon ik zelf ook weer iets doorvoelen.
En ontstond er meer ruimte. Voor mij. Voor hen. Voor de vrouwen vóór en na ons.
De moederwond
De moederwond is een diepe, vaak stille pijn. Ze ontstaat wanneer je als dochter niet volledig gezien of ontvangen bent in wie je bent.
Niet omdat je moeder niet van je hield — vaak juist wél — maar omdat zij haar eigen pijn en patronen meedroeg. Omdat ook zij niet alles kon geven wat je nodig had.
En zo wordt de wond onbedoeld doorgegeven, generatie op generatie.
Een gevoeligheid voor afwijzing, het gevoel je te moeten aanpassen, of de overtuiging dat je eerst iets moet verdienen voor je mag rusten of ontvangen.
In systemisch werk, in opstellingen, nodigen we uit om hiernaar te kijken.
Niet met oordeel, maar met mildheid.
Niet om schuldigen aan te wijzen, maar om ruimte te maken.
Voor wat gevoeld mag worden. Voor dat wat lang stil moest blijven.
Op zo’n avond gebeurt dat niet groots of dramatisch, maar juist in de kleinheid.
In een blik. Een aanraking. Een beweging.
In de stilte waarin alles er even mag zijn.
Na de zomer
In september begin ik weer met opstellingsavonden en -dagen.
Ruimte om te voelen, te vertragen, en te werken met wat gezien wil worden — in jezelf, en in de lijn van waar je uit voortkomt.
Ook speelt er een verlangen om een weekendretraite te organiseren voor vrouwen.
Een intieme plek om samen te zakken. Te delen, helen en vieren.
Ver weg van moeten, dichtbij jezelf.
Ben je nieuwsgierig? Hou dan vooral mijn website in de gaten.
Voor nu wens ik je een zachte, voedende zomer.
Fijne vakantie.
Eros en ik: van overleven naar leven
Er zijn van die woorden waar je huid een beetje van gaat jeuken. Voor mij was dat woord EROS. Alleen het horen ervan riep al ongemak op. Te groot, te intens, te dichtbij. In mijn hoofd stond het gelijk aan seks, en eerlijk gezegd… dat onderwerp duwde ik liever een beetje weg. Teveel pijn. Teveel angst. Teveel verleden. Maar zoals dat gaat met alles wat je wegduwt: het klopt op een dag gewoon weer aan.
Pas veel later begreep ik dat Eros niet (alleen) over seksualiteit gaat. Eros staat voor levensenergie. Voor de kracht die je in beweging zet, je creativiteit aanwakkert, je laat léven in plaats van overleven. En laat dat laatste nou net mijn specialiteit zijn geweest. Overleven. In mijn hoofd. In mijn veilige, ingeklapte wereld. Ik had mijn energie jarenlang naar binnen gekeerd – keurig opgeborgen achter angst en controle. Want daar voelde ik me veilig. Leven met de rem erop. Niet te wild, niet te vrij, niet te veel. Want wat als…?
Adem in, adem uit… en huil maar
Aan mijn vervolgopleiding, Ambacht van het Hart begon ik nog steeds met één oog dicht, maar wel nieuwsgierig. Tijdens een ademoefening – die veel meer was dan gewoon een beetje puffen en zuchten – gebeurde het. Ik werd geraakt op een laag die ik lang had genegeerd. Mijn angst. Mijn eenzaamheid.
En niet zomaar eenzaamheid, maar de rauwe, bodemloze variant. Het soort dat je stil maakt. Dat je lijf laat trillen. Het soort dat je jarenlang met je meedraagt zonder het echt te voelen. En ineens voelde ik het echt. De eenzaamheid die ik had weggestopt, bleek geen vijand te zijn. Het was een bron van mijn levensenergie.
Ik wist het toen nog niet, maar Eros had zich al lang met mij bemoeid.
Aan het eind van die opleiding gaf Mirjam me een advies. “Misschien is de vervolgopleiding Eros in begeleiding iets voor jou.”
Ik lachte. Zenuwachtig. Ongemakkelijk. Met alles in mij riep ik “NEE”. Alleen het idee al, ik kon het niet aan.
Maar zoals dat vaker gaat met goede adviezen: ze blijven hangen. Niet opdringerig, maar net hard genoeg om af en toe even te fluisteren: “En… hoe zit het nu?” Toen wist ik het nog niet, maar nu wel. Mijn nee was geen definitieve nee. Het was een nu-nog-niet.
Vier jaar Phoenix opleidingen en heel wat innerlijke avonturen verder…
In de afgelopen vier jaar Phoenix opleidingen is er veel veranderd. Ik ben mezelf anders gaan zien. Niet alleen als overlever, maar als mens met kracht. Als vrouw met talent. Als begeleider met iets te geven. Ik heb mogen werken met groepen, met individuen, met verschillende thema’s. En steeds weer merkte ik: ik werk met Eros. Zelfs als ik het niet van plan ben. Juist dan.
Ik werk met aandacht. Met aanraking. Met adem. Met verbinding. Het begon me op te vallen: in de mooiste momenten van begeleiding gebeurde er iets wat ik eerder niet kon benoemen. Het was levendigheid. Stroming. Diepe aanwezigheid. En ja – Eros.
Vrouwen, bossen en een boek
Toen ik eenmaal durfde toe te geven dat Eros zich wél thuis voelde in mijn werk, ging er een wereld open. Ik gaf een workshop een vrouwencirkel rondom het thema Eros. We doken niet in de diepe krochten van seksuele trauma’s (al mocht dat er zijn), maar we bewogen. Ademden. Voelden. Lachten. Huilden. Er kwam zachtheid en kracht, tegelijk. En het voelde zó kloppend.
Daarna volgden nog meer ervaringen die me bevestigden: dit is mijn pad. Zoals het bosbaden, waarbij ik mediteer met de seizoenen. Met de geur van natte aarde, de wind op mijn huid, het geritsel van bladeren als begeleiding. Of de contactcirkels waarin we samenkomen zonder doel behalve écht aanwezig zijn.
Alles voelde als thuiskomen in een taal die ik altijd al sprak, maar nooit echt had leren lezen.
En net op het moment dat ik dacht: “Misschien moet ik het tóch maar doen, die opleiding”, kreeg ik het boek: Eros in begeleiding. (uitgave Phoenix Opleidingen 2025 geschreven door Morten Hjort en Joke Goudswaard)
Eros is de levenskracht die je op gang brengt. De fluistering die je wakker maakt op momenten dat je liever blijft slapen. Het verlangen dat je richting geeft, zelfs als je hoofd roept dat het onzin is. Eros leeft in je creativiteit, je aanrakingen, je blik, je adem, je honger naar verbinding. Eros zit in het JA zeggen tegen jezelf, ook als je het spannend vindt.
Voor mij is Eros inmiddels iets heel concreets. Het is in de manier waarop ik met mijn zoon knuffel. In het schrijven van deze blog. In de sessies waarin ik met iemand in stilte zit en alles voel, zonder dat er één woord gezegd hoeft te worden. Het is het leven zelf – ongefilterd en echt.
Ik heb besloten dat ik me in 2026 ga inschrijven voor de opleiding Eros in begeleiding. Niet omdat ik het nu “moet leren” – maar omdat ik wil verdiepen. Verbinden. Nog meer thuiskomen in mezelf als vrouw, als begeleider, als mens.
Ik ben niet meer bang voor mijn eenzaamheid. Sterker nog: ik weet dat daar mijn kracht woont. Ik weet inmiddels dat ik iets te geven heb, juist omdat ik daar ben geweest. En Eros? Die loopt inmiddels niet meer achter me aan te dringen, maar naast me. Rustig. Vol vertrouwen. Soms zachtjes, soms vurig, maar altijd aanwezig.
Ik kijk ernaar uit met nieuwsgierigheid en vol verwachting. En ja, misschien zelfs een beetje opwinding. Want wat er ook komt, ik weet dat ik het aankan. Mijn lijf zegt niet meer nee. Het zegt: nu wel.
Slotgedachte
We zijn zo gewend om alles wat ongemakkelijk is weg te duwen. Angst, eenzaamheid, verlangen. Maar juist daar ligt vaak de sleutel. Eros vraagt niet om perfectie, maar om aanwezigheid. Om durven voelen. Durven volgen wat je lijf en hart je fluisteren, zelfs als je hoofd het niet snapt.
Dus als jij ergens in jezelf een stemmetje hoort dat zegt: hier zit meer, luister dan eens. Misschien is het Eros die roept. Niet om je te overspoelen, maar om je wakker te maken.
En geloof me – wakker zijn is stukken leuker dan overleven.
Wat ik van jou als begeleider kan leren,
is hoe je valt en weer opstaat,
en weer durft te vallen,
en opnieuw opstaat.
En dat vallen niet het einde van de wereld is.
Het was een ogenschijnlijk eenvoudige opdracht tijdens onze opleiding Ambacht van het Hart: schrijf een korte tekst voor een medestudent, beginnend met de zin “Wat ik van jou kan leren.” Maar meteen bij het lezen van deze tekst kwam er iets in mij in opstand. Heb ik daar een keus in?
De waarheid is: ja, ik val. Soms letterlijk, vaker figuurlijk. En soms, als ik heel eerlijk ben, word ik gewoon omgeduwd. Dan is het niet mijn eigen wankel evenwicht, maar een trigger van buitenaf die mij uit balans brengt. Toch is de vraag die ik mezelf stel niet wie of wat mij omduwt, maar: kan ik mezelf weer overeind krijgen?
Ergens, diep in mijn jeugd, heb ik een besluit genomen. Niet bewust, niet hardop, maar wel krachtig en levensbepalend. Ik ben niet goed genoeg. Het was geen rationele conclusie, maar een gevoel dat langzaam in mijn systeem sloop, als gevolg van wat ik ervaarde. Ik leerde mezelf klein maken, onzichtbaar houden. En als ik viel, bleef ik liggen. Niet uit onwil, maar omdat ik hoopte dat iemand mij zou komen ophalen.
Die iemand kwam zelden.
Dus ben ik zelf maar opgestaan. Niet moedig, niet sterk, maar omdat er geen andere keus was. En op een dag wist ik: als niemand mij komt halen, dan haal ik mezelf maar op. Zo begon mijn oefening in vallen en opstaan. Niet als een heldhaftig pad, maar als een noodzakelijk overlevingsmechanisme.
In mijn systeem van herkomst – mijn familie – werd er niet gepraat over vallen. Laat staan over weer opstaan. Alles ging tussen de regels door. Verdriet werd weggelachen. Falen werd genegeerd. Als je viel, dan keek niemand echt. Je krabbelde maar weer op, deed alsof er niets was gebeurd en ging door. Wat je voelde, daar kon men niets mee.
Tot ik kennismaakte met familieopstellingen. Daar vielen ineens de kwartjes. Of beter gezegd: daar viel ík opnieuw – maar nu bewust, in de bedding van een groep die keek, zag en aanwezig bleef. In een opstelling werd zichtbaar dat ik al mijn hele leven bezig was met ‘het goed doen’, voor iedereen. Mijn vallen zag ik als falen, niet als onderdeel van het leven. Tot ik leerde kijken met andere ogen.
Vallen hoort bij het leven. Maar het vraagt moed om te vallen in het bijzijn van anderen. Om zichtbaar te zijn in je kwetsbaarheid. Om te laten zien dat je het even niet weet, dat je je even niet staande kunt houden.
En dat is precies wat ik je kan leren. Niet dat jij niet valt – integendeel – maar hoe jij omgaat met het vallen. Dat je er niet in blijft liggen. Dat je jezelf weer verzamelt, je opricht en opnieuw begint. Niet met grote stappen of een groots gebaar, maar met aanwezigheid. Met aandacht. En soms ook gewoon met humor.
Vallen is geen teken van zwakte. En opstaan is geen heldendaad. Het is simpelweg: mens zijn en persoonlijk leiderschap nemen. En juist in de ontmoeting met de ander, in de groep, leer ik je dat opnieuw. Want waar je eerst dacht dat je alleen viel, laat ik je zien dat we allemaal vallen. Alleen doen we dat vaak in stilte, of achter gesloten deuren.
In de veilige ruimte van de workshop kijken we samen naar onze patronen. Hoe reageer jij op tegenslag? Kun je hulp vragen? Durf je je te laten zien als je het even niet meer weet? En wat gebeurt er dan in jou?
Soms, als jij vertelt over jouw proces, herken ik mezelf. In jouw worsteling, jouw val, jouw kleine of grote opstaan. En soms is het andersom. Dan zie jij iets in mij wat ik zelf nog niet zie. En dat is misschien wel het grootste geschenk van deze workshops: dat we elkaar spiegelen, dragen, confronteren – en daardoor helpen groeien.
Er is iets magisch aan het samen kijken naar wat ons drijft en tegenhoudt. Of dat nu in een opstelling is, of in een deelronde na een oefening. In de groep ontstaat een bedding waarin je niet meer alles alleen hoef te doen. Waar je gezien wordt en welkom bent.
Soms nog wil een oud patroon je doen geloven dat je het allemaal alleen moet kunnen. Dat je sterk moet zijn. Maar de kracht zit niet in nooit vallen. Het zit in het erkennen dat je valt. En in het durven vragen: “Wil jij even bij me zitten tot ik weer op kan staan?”
Dat vraagt oefening. En lef. En vertrouwen. En dat leer ik jou in een van mijn workshops. Ervaar de kracht van samen want:
Wat ik jou kan leren,
is niet alleen hoe je valt
Maar hoe je jezelf de ruimte geeft om even te blijven liggen,
om adem te halen,
om te voelen waar het pijn doet –
en dan weer op te staan,
zonder oordeel.